Hoe ontwikkelingstrauma invloed kan hebben op de manier waarop je verbinding maakt.

Wie moet ik zijn
om dichtbij je te mogen blijven…?

Dit is vaak de kern van ontwikkelingstrauma.

Niet wat er zichtbaar misging,
maar wat je lichaam stilletjes heeft geleerd over verbinding.

Dat nabijheid niet vanzelf blijft,
maar afhankelijk voelt
van hoe jij bent.


Misschien werd er meer warmte voelbaar
 als je rustig was, 
als je meedacht
, als je het goed deed.



Misschien was er waardering 
als je presteerde.

En werd het stiller
 als je het moeilijk had.



Geen duidelijke afwijzing
, maar iets subtielers
.
Iets wat je niet kon aanwijzen, 
maar wel kon voelen.



Waardoor je leerde afstemmen
, aanvoelen
, vooruitdenken.

Nog voordat je wist wat je zelf nodig had.



Dat neem je mee.

In hoe je luistert, 
hoe je reageert
, hoe snel je jezelf aanpast, 
zonder dat je het doorhebt.

In hoe je misschien nét iets te veel geeft
, of juist weinig vraagt.

Alsof er iets in je aanspant, 
zodra het spannend wordt.



Niet omdat je zo “bent”
, maar omdat je ooit hebt geleerd:

zo blijft de verbinding intact.



Je lichaam onthoudt dat.

In kleine signalen. 
In spanning die opkomt zonder duidelijke reden. 
In hoe snel je weer ‘aan’ gaat.

Opnieuw en opnieuw.



Daarom begint verandering vaak niet bij snappen.
Maar bij iets anders mogen ervaren 
in je lichaam.

Iets dat je misschien nog niet kent
, maar waar je wel naar verlangt.



Zodat je niet hoeft te worden 
wie de ander nodig heeft
 om dichtbij te mogen blijven.