Misschien is dit patroon ooit heel logisch geweest.
Veel mensen die bij mij in de praktijk komen herkennen dit.
Ze voelen spanning, maar weten niet precies wat eronder zit.
Ze zijn gewend om sterk te zijn.
Om door te gaan.
Om voor anderen te zorgen.
Ze kunnen vaak goed uitleggen wat er speelt.
Maar vinden het lastig om werkelijk te voelen wat er in hen leeft.
Hun hoofd weet veel.
Hun lichaam draagt nog meer.
Soms voelt het alsof er een muur zit tussen weten en ervaren.
Alsof er iets ontbreekt.
Maar meestal ontbreekt er niets.
Vaak is er ooit een manier ontstaan om niet te hoeven voelen wat te pijnlijk, te ingewikkeld of te eenzaam was.
En dat is misschien wel een van de belangrijkste inzichten.
Je gevoelens zijn niet verdwenen.
Je hebt geleerd er vandaan te bewegen.
Je hebt geleerd ze te onderdrukken.
Te rationaliseren.
Te vermijden.
Of te overschreeuwen.
Niet omdat je zwak bent.
Niet omdat er iets mis is met je.
Maar omdat je zenuwstelsel zich heeft aangepast aan wat er toen nodig was.
Totdat er momenten zijn waarop iemand wel stilstaat.
Kijkt.
Luistert.
En zich afstemt op wat er van binnen gebeurt in het bijzijn van iemand die aanwezig is én blijft.
Dan ontstaat er iets fundamenteels.
Een diep gevoel van:
“Wat er in mij leeft is helemaal oké.”
Juist in contact met een ander kunnen nieuwe ervaringen ontstaan.
Ervaringen waarin gevoelens níet te veel zijn.
Waarin kwetsbaarheid níet wordt afgewezen.
Waarin je níet hoeft te presteren, te zorgen of jezelf kleiner te maken.
Het zenuwstelsel leert namelijk niet alleen door inzicht.
Het leert vooral door ervaring.
Door keer op keer te ervaren dat iets wat vroeger onveilig voelde, nu wél veilig mag zijn.
Dan kan er langzaam iets verschuiven.
Niet omdat je jezelf verandert. Maar omdat je zenuwstelsel iets nieuws leert; ervaringen die ruimte maken voor meer verbinding.
Met jezelf.
En met de mensen om je heen.
Ontwikkeling start niet met nóg meer begrijpen.
Maar met opnieuw ontmoeten.
Jezelf.
En de ander.